In 2017 schreef ik Oratio Hominis Digitalis. Niet als technologiemanifest, maar als poging om een oude vraag opnieuw te stellen: wat betekent het om mens te blijven in een wereld die steeds meer ontworpen wordt?
Voor veel mensen klonk die vraag toen nog abstract. Het dominante verhaal over digitalisering was optimistisch: technologie stond voor vooruitgang, platforms voor verbinding en kunstmatige intelligentie hoorde vooral nog thuis in TED Talks en presentaties voor investeerders.
Silicon Valley presenteerde technologie als neutrale infrastructuur, als gereedschap en als onvermijdelijke vooruitgang. Maar onder dat optimisme gebeurde al iets anders.
Digitale systemen ondersteunden menselijk gedrag niet langer alleen; ze begonnen dat gedrag mede te vormen. Interfaces bepaalden waar we naar keken, feeds wat zichtbaar werd, platforms welke emoties werden beloond en algoritmen welke werkelijkheden waarschijnlijker werden.
Toen voelde dat nog als een zijobservatie. Nu, bijna tien jaar later, publiceert paus Leo XIV zijn eerste encycliek: Magnifica Humanitas. Een tekst over kunstmatige intelligentie, menselijke waardigheid en de beschaving die zich in digitale systemen aan het vormen is. Wat dit moment opmerkelijk maakt, is niet alleen het onderwerp AI, maar vooral de historische omkering die eronder ligt.
De mens als mogelijkheid
Vijf eeuwen geleden stelde Giovanni Pico della Mirandola dat de mens geen vaste vorm had gekregen. De mens kon zichzelf vormen: geen vooraf bepaalde identiteit, geen vaste plaats in de orde der dingen, maar de mens als mogelijkheid.
Dat idee was gevaarlijk. Mirandola's werk werd onderzocht op ketterij en delen ervan werden veroordeeld. Het idee dat mensen zelf betekenis konden vormen, raakte aan de macht van instituties.
Nu, eeuwen later, waarschuwt het Vaticaan zelf voor systemen die diezelfde menselijke autonomie onder druk zetten. Niet door religieus dogma, maar door technologische omgevingen die voortdurend gedrag, waarneming en aandacht sturen.
Ontworpen werkelijkheden
Dit is geen technische discussie meer, maar een beschavingsvraag. Technologie is niet langer alleen een hulpmiddel dat we af en toe gebruiken; we leven steeds vaker in ontworpen werkelijkheden.
Spotify bepaalt steeds vaker waar we naar luisteren, TikTok vormt hoe informatie zich verspreidt, AI-systemen bepalen welke antwoorden waarschijnlijk voelen en sociale platforms bepalen welke emoties worden versterkt. Elk van die systemen draagt aannames in zich over wat een mens is: dat aandacht meetbaar is, gedrag voorspelbaar, voorkeuren te optimaliseren en efficiëntie hetzelfde als vooruitgang.
Maar technologie heeft geen moraal, geen cultuur en geen betekenis. Alleen prikkels.
Juist daarom doet dit moment ertoe. Niet omdat religie ineens de antwoorden heeft op kunstmatige intelligentie, maar omdat het gesprek weer filosofisch is geworden.
Een digitale renaissance
Wat voor mens ontstaat er in deze ontworpen werkelijkheden? Dat was uiteindelijk de centrale vraag van Oratio Hominis Digitalis. Niet uit angst voor technologie, maar vanuit het besef dat digitale ruimte menselijke ruimte is geworden.
Daarmee werd ook duidelijker dat UX nooit alleen over interfaces ging. Systemen vormen gedrag, interfaces vormen cultuur en ontwerp draagt altijd een mensbeeld in zich.
Misschien hebben we nu niet nog een golf technologische versnelling nodig, maar een digitale renaissance. Niet anti-technologisch en niet nostalgisch, maar bevrijd van de mythe dat optimalisatie op zichzelf beschaving voortbrengt.
De oorspronkelijke renaissance herontdekte de mens tegenover gesloten religieuze systemen. De digitale renaissance moet de mens misschien opnieuw herontdekken, dit keer tegenover gesloten algoritmische systemen.
Niet door technologie af te wijzen, maar door waarden terug te nemen die nooit uitbesteed hadden mogen worden aan platforms, voorspellende systemen en verdienmodellen rond aandacht.